Zoeken in deze blog

Wordt geladen...
Guido Vermeulen's mail art envelopes are like worlds into themselves and at the same time they are part of the much larger whole.

(a comment by NANCY BELL SCOTT, USA, on the IUOMA network)

Guido's paintings are like finding images in the clouds
(a comment by Kathleen D. Johnson, USA, on IUOMA)

Guido does not paint monsters but spirits and ghosts, full of love, tenderness and compassion
(LIZA LEYLA during a conversation, Belgium)

His ability to express emotions through painting is a beautiful gift. Allowing oneself to feel sadness is the most direct route through grief. His paintings feel peaceful and kind.

(STEPHEN WALKER, USA)


My life is shifting... Your work is intangible, ethereal, cosmically rewarding. i eat it up & savor it like a great sandwich! It made my day!
(Lisa PEREZ, USA, on IUOMA)

Thank you for the TALISMAN painting on the envelope. It is real cool and creepy at the same time. I haven’t seen a piece of abstract capture such as pain and emotion so well since I visited the museum of art in Toledo. Bravo!
(Sarah Jo Pender, USA, from the Indiana Women’s Prison)

I suppose you could characterize Guido's painting style as expressionist. I know he is very interested in dreams as a source for art and poetry, and these particular chapter pages seem like shadowy dream corridors filled with shifting images and scenes. The Michaux quotes work as a counterpoint, Guido's art is taking over when the limits of language have been reached.
(De Villo Sloan, USA, on my tribute pages to Henri Michaux, see LAMUSAR blog)

Guido’s art expressions are always poems and they show us the reality of our real faces and souls (Mariana Serban, Romania)

His titles have both inspired and educated me (Alicia Starr, USA)

zondag 26 januari 2014

LES 12 TIROIRS SECRETS

Les 12 tiroirs secrets

Op de zolder van mijn vader
vond ik na zijn overlijden
een oude koffer vol geheimen.

Toen ik hem opende
ontdekte ik nog een andere koffer
bibberend binnenin.

En die koffer bestond uit
grote en middelgrote, kleine en nog kleinere
laden en verscholen schuiven
als dode duiven van een gezamenlijk en apart
bestaan in gedeelde vreugd en vooral pijn.

Lade 1 bevatte
de laatste morfinespuit van moeder voor zij kreveerde aan een uitgezaaide algemene kanker,
haar talisman: een Kennedydollar omgebouwd tot een verstikkende halsketting,
een halfleeg (of halfvol) flesje Lourdeswater dat niet geholpen had bij een hopeloos verlangen naar een miraculeuze genezing,
haar pasfoto met jaren ’40 kapsel en een buisje met ineengestorte tranen gecollecteerd de avond van het grote afscheid.

Lade 2 bevatte
sommige van vaders oorlogsherinneringen:
het slipje van een Russin die hij had wijsgemaakt in Duitsland
dat hij de dag erna naar het Oostfront vertrok
samen met zijn vriend die inderdaad ging
en nooit meer terugkeerde uit die hel,
een foto van een platgebombardeerd Hannover met een kleine jongen op een stoeltje, hij overschouwde in 1 klap de hele stad en was het allerhoogste punt geworden boven het puin,
een andere foto van zijn eigen verminkte been, verbrand door geallieerde fosforbommen, met een korte nota: dit been werd gered door Duitse artsen, niet alle Duitsers zijn of waren nazis, dat is een grove leugen!!!

Lade 3 bevatte
het gebit waarin nonkel Raf haast stikte toen zijn goedkope valse tanden loskwamen bij het eten van een magere vis en een berg kroketten; men voerde hem snel naar het hospitaal voor het definitief te laat was, hier stelde men hem vragen over de sporen op zijn rug, Ik was Vlaming en pro-Duits tijdens de oorlog, legde Raf van Pamel uit en ik werd na de bevrijding opgepakt en wekenlang afgeranseld door leden van de witte brigade die pas weerstander werden toen alle gevaar geweken was. Buiten de slagen kreeg ik ook geen eten, meneer doktoor, honger dat ik had, honger, dus ik eet sindsdien veel te snel alsof mijn leven er van af hangt...honger en slaag maakte van mij de gulzigaard die ik nu ben.

Lade 4 bevatte
enkele drukletters van nonkel Albert,
de anarchistische drukker uit Tervuren,
die zich meestal verschuilde in zijn drukkerij
voor de waterval van woordendiarree van zijn vrouw,
ons’ tante Germaine die haar dronkenschap wilde delen met de hele wereld en als het efkes kon, de kosmos daarbuiten.
Zij drukte ons als kleine pagadders aan haar platte boezem
en vulde ons met pateekes en crème au beurkes en walgelijke likeurkes zoals elixir d’Anvers, mandarine Napoleon en Parfait d’ amour, een paarsviolet drankje met glinsters die zwommen in het zwakke zonlicht van eind jaren ’50, begin jaren ’60.

Lade 5 bevatte
communieprentjes van de dochter van Albert en Germaine en de zoon van Raf en zijn madam Marieke Het was niet eigenlijk zijn zoon maar de zoon van een Duitse soldaat die een Vlaamse had zwanger gemaakt en Raf besloot toen in al zijn goedheid met haar te trouwen om haar de schande te besparen van un enfant de Boche.
Ondanks de politieke tegenstellingen tussen Albert en Raf waren beiden verenigd in een opmerkelijke afgoderij van hun eigen banale kinderen. Wat als die 2 ooit samen zouden trouwen, de basiliek van Koekelberg was te klein en te schijnheilig voor zulke opmerkelijke liefdesverbintenis die alle tegenstellingen in het Vlaamse landschap deed smelten als sneeuw voor de …

Lade 6 bevatte
een stok, een eenvoudige stok en ik moest heel diep graven in mijn eigen herinneringen: op een dag schermde ik met mijn broer met stokken in de tuin, een imitatie van de rode ridder wellicht en ik gaf zo’n harde klap dat 1 van de stokken weg vloog en een ruit doorboorde aan de achterkant van het ouderlijk huis, mijn vader kwam woest buiten gestormd en gaf mijn broer het pak slaag dat eigenlijk mij toekwam want ach ja, het was steeds mijn broer die kattenkwaad verrichtte, ik zei niks en mijn broer nog minder, we begrepen mekaar die dag in alle onrecht van het jongensogenblik.

Lade 7 bevatte
een briefje aan de paus dat ik in alle onschuld had geschreven; ik was 10 of 11 en kende mijn eerste kalverliefde, werd hevig verliefd op nichtje Mireille en nonkel Romain legde mij toen koel uit dat dit niet kon omdat we familie waren, tenzij, ah tenzij ik een speciale toestemming kreeg van Rome; de paus echter heeft nooit geantwoord op mijn smeekbede, vandaar mijn begin van de breuk met die valse kattenkoppen.

Lade 8 bevatte
een enkelkettingske van tante Irene, de vrouw van nonkel Bob; Bob was een duivelke-doet-alles-zelfstandige, artistieke schilder en behanger en hij legde ook Japanse tuinen aan binnenskamers, een man met een hart van goud die ons tijdens de weekends mee nam in zijn wagen en ons Belgiekske leerde kennen, van de kust tot de Ardennen; tante Irene was une belle poule de luxe, en haar bestaan als prachthoer werd beschermd door een openlijke relatie met een politiecommissaris uit Brussel; hoer heb ik sindsdien nooit als een scheldwoord ervaren omwille van mijn mooie suikertante, het was eerder een compliment, een eerbetoon aan een vrij bestaan en een boterhart.

Lade 9 bevatte
een zeemanspet van nonkel Henri die bij de zeemacht zijn troep had gedaan en die ik bezocht in de Daillykazerne of misschien ook niet, misschien kende ik dat gebouw enkel maar van horen zeggen, afijn ik woon nu dicht tegen wat rest van dat complex: luxe appartementen, oplichterbanken, een Franstalig theater en een plein zonder enige toegang voor onbevoegden.

Lade 10 bevatte
foto’s van de kinderen van nicht Moniek die spoorloos uit ons leven verdween, verstoten door haar eigen vader omdat ze zowel kinderen had verwekt bij haar man en diens vader; ik herinnerde me een bezoek in haar krotwoning waar de regen door het dak piste; Moniek leefde in een enorme miserie maar toch gaf ze ons al haar singles cadeau na de echtscheiding van vader die ongelukkig was hertrouwd; de feeks vertrok met onze hele inboedel richting De Panne. Moniek was 1 van de weinige personen die ons daarna hielp waar en hoe zij kon.

Lade 11 bevatte
het doodsprentje van tante Rosa, Moniek’s moeder en volbloedzigeunerin; zij en nonkel Raf, een andere Raf dan die uit Pamel, openden een arbeiderskroeg waar zij met de klanten sex had op het toilet, just for fun, en klein Moniekske hield de wacht moest vader thuis komen; een scheiding volgde en Rosa kreeg meerdere hersentumoren gevolgd door barslechte chirurgie, zij verloor haar evenwicht na de operaties en viel steeds om, de enige die haar nog bezocht tot zij stierf was mijn moeder en wij als kleine kinderen. Ik herinner mij nog steeds haar geur en mijn angst voor dat soort van aftakeling.

Lade 12 bevatte
een droomtelefoon waarmee Ruth, mijn 2de moeder, mij had opgebeld na haar overlijden om me aan te moedigen en de kop niet te laten hangen want ik moest nog veel dingen doen en mensen lief hebben en meer van dat; ik zit nu met die telefoon in mijn schoot en denk: wie zal in nu zelf eens bellen, wie zal ik bellen na mijn eigen dood? Ik kan alvast een lijstje maken en die opbergen in mijn eigen koffer met geheime laden.


Guido Vermeulen
24-25-26 januari 2014




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen