maandag 27 januari 2014

LE CRI FADO

LE CRI FADO

De schreeuw van de Fado schreeuwt meer
in mijn maag dan in mijn hart.
Waarom? Waarom niet? Waarom wel?
Le coeur se trompe ou peut se tromper
comme éléphant dans la brousse bossue et crue.
De maag roept omdat je honger hebt,
honger naar bijvoorbeeld gerechtigheid,
honger naar zoiets als sociale rechtvaardigheid,
iets wat de salonsocialisten vergeten hebben
sinds, nou ja, 1914, denk ik dan,
toen ze de arbeidersbroeders de oorlog injaagden
tegen mekaar voor de verdediging van de belangen
van het ziekzwarte kapitaal.
Sindsdien vind ik socialisten een troep waardeloze valse ratten
die hun eigen kinderen opofferden
voor enkele nutteloze parlementszitjes
beloond met zweren en blaren op hun verbrande gat.

De schreeuw van de Fado krabt aan dat aarsgat
van de verdoken armoede, zowel sociaal als intellectueel,
zowel banaal als overstijgend en met veel kermend sexueel
gehijg of niet madame Orlette?

De schreeuw van de Fado krabt de kattenkrollen van de trap

-      MIAUWT haast even hard als de uitgestorven mijnwerkers in de schacht van mijn tienerherinneringen, als de overlevering van Zwartberg en Winterslag, als Winterberg en Zwarte Mousse au Chocolat

-      BRULT haast even zacht als de tweeleeuwen die dokwerkers zijn om hun eigen kracht te beschermen tegen de liberale vervlakking van alle specifieke statuten door de Europese verkrachters aan de macht omwille van de hun toegestane macht

-      PREVELT haast even bevend als de pezewevers van papenafgoders en hun dronken drenkelingvolgers, terwijl zij hun oppervlakkige zwembroekjes aan het kruis nagelen om het nutteloze offer te herdenken van de veroordeelde zondaar op het schavot van een meer dan hopeloze tijd
want ondanks de bloedarmoede der spijkers is niets vergeven noch vergeten aan het firmament van vallende vloekende sterren en stieren in de arena die begon als winterse kinderkribbe, pick your choice oh divine pedophiles in the convents van moordende naastenliefde!

-      WEENT haast even wenend als mijn tranen, opgepikt door een Portugese immigrant via woorden als «gaat het, mijn jongen?» en «ik herken je verdriet als het mijne, Saudade». Samen herkennen wij de nostalgie van de zeeman in de haven, van de oneindigheid van de kabeljouw in de weke weeë zee, wetend dat alles een einde heeft:

de zee, de kabeljouw, de zeeman, de weerman, de opgedroogde tranen van een Fado, het einde van een Fado, DE ALLERLAATSTE FADO AAN HET STERVENSBED VAN EEN GEZAMENLIJKE EN GEDEELDE TIJD.

TIC TAC
TAC TIC
Ik tik de dood op zijn Fadokop en worstel met zijn kapsel.
Haren groeien verder en deinen uit als rozenknoppen aan het firmament.


GV
Januari 2014, Pub New Benfica




Geen opmerkingen:

Een reactie posten