donderdag 10 oktober 2013

Neige éternelle

Neige éternelle,
een wintersprookje

Pour Louize, Franz , Dietrich et Gaston

Winter wil ik wit als de witste sneeuw en zittend!
Winter wil ik koud en harder dan het dikst bevroren meer.
Winter wil ik dodelijk koud in de ouderdom van al zijn eenvoud, 
in zijn Canadees zijn,
zodat ik me verwarmen kan aan de herinnering
van haar overlandse kus en haar slapen bij mijn slapen.

Warmte is een spiegel die vrieskou ontdooit.
Ongeluk smelt als sneeuw voor de zon tot schommelend geluk.
Trieste seizoenen bestaan niet echt!
Het is de echtheid van de schijn met een schijn van echtheid,
zoals men nu nog spreekt over de herfstij der middeleeuwen
versus de verlichting der moderne progressieve tijden.

Woorden worden gedicteerd door het seizoen van hun omgeving.
Wit als sneeuw is uiterst zeldzaam in de trieste tropen.
Je moet als het ware in staat zijn om de Kilimadjaro te beklimmen,
om het eeuwige wit te bedwingen en te verwoorden met een taal die de graden van Celsius of Fahrenheit kittelt aan de benedengrenzen van hun wiskundig bestaan.
Voor de Eskimos daarentegen bestaan er meer dan 50 verschillende uitdrukkingen voor «wit als sneeuw».
De liefde voor een veelvoud aan woorden zijn aldus seizoens- en omgevingsgebonden.
In de woestijn sterft de liefde voor de sneeuw overdag,
enkel de nacht straalt zwakjes als zijn overbodige spiegel.

Wat heeft dit te maken met een sprookje?
vroeg Louize mij tijdens een verkennende gezamenlijke reis.

Sprookjes zijn wintervertellingen
die ontstonden en verstomden rond het open haardvuur.

Verstomden?

Bij wijze van spreken!
Woorden werden in het vuur verpakt en verbrand
tot de essentie van ons zijn.

Asse zinkt aanstonds weg in sneeuw,
verdwijnt in de veelheid van witte velden
aan de rand van een wachtend bos,
ooit zo groot als het Canadese binnenland
waar geen wakkere mensen wonen,
maar enkel dieren slapen «en attendant le chien».

DE HOND ONTWAAKT DE KOUDE,
DE SNEEUWENGEL IN ELK VAN ONS!

Instructies voor de zuiderling
        Val samen neer
        beweeg armen en benen
        sta op
        kijk neer naar de veelheid
        van gemaakte engelen in sneeuw

Holenberen, roedels wolven, geeuwende bergleeuwen, nachtuilen aan de macht, biddende winterraven, stelende eksters, vastgespijkerde vleermuizen tegen deuren van bange hoeves, kippenslachters vermomd als vossen, parende vuurkonijnen waarvan de zwart verbrande vacht de sneeuw verlicht door het contrast...


EN TE MIDDEN VAN DIT DUIDELIJK DIERLIJK ALLLES
SLAAPT DE ONSCHULD VAN HET KIND IN DE WIEG
DIE WINTER HEET

Ik tel op aanraden van de moederberg
zijn vingers en zijn tenen.
Hij heeft er nog tien van elk.
Alles is dus goed.

Zijn bevroren ijskristal
heb ik opgeslagen
in de koelbox van mijn herinnering.

De witte bloemkelk opent zich
enkel in winter om lente
te omsluiten.

Het heupgewricht wordt aldus scharnier
tussen opeenvolgende seizoenen,
tussen 2 zoenen met een verschil aan warmtegraad.
Een deur valt open door de schok,
valt in de put onder een hoge toren.
Slangen overvallen hun graven in cirkels
met als enig doel bodemloos te paren.

Wat een zicht?!

Zij kwetsen enkel de ogen van de onwetende.
Zij toveren voor onze ogen vuurkooltjes voor verwachtende zielen
terwijl wij ter plaatse trappelen op onze eigen hielen.

De trap op zich?

Ik verklaar nu even mijn liefde voor de trap:
je kan hem beklimmen of bestijgen,
je kan hem afdalen of afrijzen als een kind.
De val is spiegel van de top.
De vallei is spiegel van de berg.
Ik beklim de trap als een berg,
of de berg als een trap.

Arendsnesten wachten tussen treden door.
Even verder straalt meervoudig de eeuwigheid
van sneeuw.
Vlug daal ik naar de veiligheid
van beneden want eeuwig zijn
lust ik rauw als een wintervis in rouw.

C’est un amour morbide?

Zijn er andere?
Ik heb het sterven lief van mensen en sterrenstelsels
omdat de complexiteit van het oeverloze leven
opgevolgd wordt door de eenvoud van de definitieve dood.
Zo hoort het en het is goed,
de dood als winterreis en de winterreis als dood.

Wit en zwart?

Zijn perfecte spiegels van hun eigen zijn en niet-zijn.
Zij vlokken op de brede lanen van ons groeiend, wassend en
dan weer verkwijnend zijn, soms stokt de morgen van de bariton in onze eigen keel. Soms is elk lied een avondlied achter de haag van de huig...


Arthur Martens
Oktober 2013




Geen opmerkingen:

Een reactie posten